Sign In
                   
home
home
 Evenementenagenda
 Nieuwsarchief
 Persarchief
 Publicaties

Zoeken

 

Go Search

 

ELegal vlinder milieuwetgeving 
Nieuwsbrief
Praktijkgevolgen van de actuele wet- en regelgeving
november 2009
                           
                           
                           
                           
                           
                           
                           
                           
                           
                           
Nederlandse m.e.r. wetgeving kan niet door Europese beugel 

Het Europese Hof van Justitie (Hof) heeft Nederland op de vingers getikt. Dit omdat het Hof van oordeel is dat Nederland de Europese richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (de m.e.r.-richtlijn) niet goed heeft omgezet in nationale wetgeving.

De Nederlandse m.e.r. wetgeving gaat uit van een systeem waarin door middel van drempelwaarden een onderscheid wordt gemaakt tussen: 

  • activiteiten waarvoor in ieder geval een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt, en
  • activiteiten waarvoor moet worden beoordeeld of een MER moet worden gemaakt in verband met de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.

Deze onderverdeling is terug te vinden in de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994 (Besluit m.e.r.).

Nederland is op twee punten door het Hof gecorrigeerd:

  1. In de Nederlandse regelgeving wordt voor een aantal activiteiten in het Besluit m.e.r. waarvoor een beoordeling moet worden gemaakt of een MER noodzakelijk is, enkel gekeken naar de omvang van de activiteit. Volgens het Europese Hof is dit te eenzijdig en zou in alle gevallen ook rekening moeten worden gehouden met de aard van de activiteit en de ligging ervan.
  2. De Nederlandse praktijk waarbij met absolute drempelwaarden wordt gewerkt, waar beneden bij voorbaat vast staat dat er geen MER hoeft te worden gemaakt, zonder dat is aangetoond dat deze projecten geen aanzienlijk milieueffect konden hebben, is onaanvaardbaar voor het Hof.

De wetgever staat nu voor de opgave om de wetgeving aan te passen zodat deze alsnog in overeenstemming wordt gebracht met de Europese regelgeving. De ontwikkelingen in dit verband houden wij scherp in de gaten en zodra hier meer nieuws over te melden is zullen wij hier wederom over berichten.

Bron: Arrest van het Hof, zaak nr. C-255/08 15 oktober 2009

Voor nadere informatie over wet- en regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage  kunt u contact opnemen met mr. A. Pruijssers.

m.e.r. Wetgeving 
De gevolgen van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen 

De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is per 1 oktober 2009 in werking getreden. Het doel van de wet is dat overheden zo snel mogelijk, in ieder geval binnen de daarvoor gestelde termijn, een beslissing nemen op aanvragen. De wet heeft grote gevolgen voor de afhandeling van aanvragen en daarmee ook voor de interne organisatie van de bestuursorganen.

De wet in het kort
De Wet dwangsom bevat een tweetal regelingen voor die gevallen waarin een bestuursorgaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn beslist, namelijk:

  1. een regeling op grond waarvan een bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd kan zijn voor iedere dag dat de beslissing uitblijft, en
  2. een regeling op grond waarvan direct beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen niet-tijdig beslissen door het bestuursorgaan.

Hierna gaan wij kort op beide regelingen in.

Dwangsom
De eerste voorwaarde is dat het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist op een aanvraag. Hiervan is sprake indien een bestuursorgaan de beslistermijn overschrijdt. Dit kan een wettelijke termijn zijn of, indien er geen wettelijke termijn geldt, een ‘redelijke’ termijn. Wat ‘redelijk’ is, hangt af van de soort beslissing en kan enkele weken of maanden zijn.
De tweede voorwaarde is dat de aanvrager het bestuur in gebreke heeft gesteld. Het bestuur kan in gebreke gesteld worden vanaf de eerste dag dat het bestuursorgaan te laat is met beslissen.

Direct beroep
Van de regeling om direct beroep in te stellen bij de bestuursrechter kan enkel gebruik gemaakt worden indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  1. het bestuursorgaan heeft niet tijdig beslist op een aanvraag
  2. de aanvrager heeft het bestuursorgaan in gebreke gesteld

De aanvrager kan in beroep gaan indien twee weken nadat de aanvrager het bestuursorgaan heeft medegedeeld dat het in gebreke is en er door het bestuursorgaan nog geen besluit is genomen.

De regels van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen zijn opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.

Bron: www.minbkz.nl

Voor nadere informatie over de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen of andere algemeen bestuursrechtelijke vraagstukken kunt u contact opnemen met mr. N.A.M. Priems, Legal Consultant.


ELegal gevolgen Wet dwangsom en beroep 
De gevolgen van de Crisis- en Herstelwet 

Het wetsvoorstel voor de Crisis en Herstelwet treedt naar verwachting 1 januari 2010 in werking en heeft (onder meer) gevolgen voor de ontwikkeling van windmolenparken en warmte koude-opslagsystemen (WKO). De belangrijkste gevolgen voor deze twee onderwerpen hebben wij geïnventariseerd en zetten wij hieronder voor u op een rij.

De belangrijkste gevolgen voor de ontwikkeling of uitbreiding van windmolenparken:

  1. Provinciale staten wordt verplicht gronden aan te wijzen voor de aanleg of uitbreiding van windenergieproductie en daarvoor een inpassingsplan op te stellen. Een producent mag schriftelijk melding doen van het voornemen tot aanleg van een park, waarop provinciale staten gehoor moet geven aan deze melding op basis van een zorgvuldige afweging van belangen. Het inpassingsplan maakt automatisch deel uit van het bestemmingsplan waarop het betrekking heeft.
  2. Gedeputeerde staten wordt verplicht de provinciale coördinatieregeling toe te passen ten aanzien van productielocaties tussen de 10 en 100 MW.

De belangrijkste gevolgen voor de toepassing van warmte koude-opslagsystemen
Het wetsvoorstel voor de Crisis- en Herstelwet legt een grondslag in de Wet bodembescherming (Wbb) voor een algemene maatregel van bestuur (AmvB). Deze AMvB is op dit moment in voorbereiding en zal onder andere regelen:

  1. Dat de vergunningsprocedure waar mogelijk wordt verkort.
  2. Dat een doelmatig gebruik van bodemenergiesystemen plaatsvindt. Dit houdt in dat regels worden gesteld om negatieve interferentie die tussen WKO’s kan optreden te voorkomen en de toepassing van grootschalige collectieve WKO’s in plaats van kleine WKO’s te faciliteren.
  3. Dat de bestaande meldingsplicht gaat gelden voor alle WKO’s, ook gesloten systemen. Daarnaast wordt de naleving van deze meldingsplicht verbeterd, door niet alleen de opdrachtgever, maar ook de installateur verantwoordelijk te maken voor de melding.

Bron: wetsvoorstel Crisis- en Herstelwet, Kamerstukken II, 2009-2010, 32127, nr. 2

Voor nadere informatie over de gevolgen van de Crisis en Herstelwet voor duurzame energiesystemen kunt u contact opnemen met B. Bregman LL.M.


Crisis en Herstelwel windmolenpark 
Waterbodems in de Waterwet 

Met het inwerkingtreden van de Waterwet eind december 2009 gaat er voor handelingen in of aan de waterbodem veel veranderen. Dit artikel gaat in op de veranderingen die de Waterwet met zich meebrengt voor handelingen in of aan de waterbodem.

De regelgeving over waterbodems wordt van de Wet bodembescherming overgeheveld naar de Waterwet. Hiervoor is gekozen omdat de type verontreinigingen van waterbodems verschillen van die van landbodems.
Onder de Waterwet is er sprake van een integrale benadering. Dit heeft tot gevolg dat handelingen in de waterbodem niet meer, zoals dat nu nog wel gebeurd, op zichzelf worden beschouwd. Handelingen in de waterbodem zullen voortaan gekoppeld zijn aan de te behartigen of nog te behalen kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen in het betreffende gebied. Een verontreiniging zal niet langer meer worden beoordeeld en aangepakt via een gevaldefinitie en een beoordeling van ernst en spoedeisendheid, maar in het kader van het verbeteren van de gebiedskwaliteit.

Het toetsingskader wordt gewijzigd: onder de Waterwet is de gewenste gebiedskwaliteit het uitgangspunt. Het toetsingskader richt zich op de invloed van de kwaliteitsaspecten van de waterbodem op de gebiedskwaliteit. Uit het toetsingskader kan het volgende volgen:

  1. de waterbodemkwaliteit staat het bereiken van de gewenste gebiedskwaliteit niet in de weg. In dit geval hoeft er geen ingreep in de waterbodem plaats te vinden.
  2. de waterbodemkwaliteit is (mede) de oorzaak van het niet bereiken van de gewenste gebiedskwaliteit. Indien zich deze situatie zich voordoet dan wordt de ingreep op effectiviteit en kosten afgewogen tegen andere ingrepen in het watersysteem.

Naast het nieuwe toetsingskader komt er ook nog een denklijn waterbeheer voor gebiedskwaliteit. Hiermee wordt een ingreep in de waterbodem afgewogen tegen alternatieve ingrepen in het watersysteem.
 
In het overgangsrecht is geregeld dat de Wet bodembescherming van toepassing blijft op gevallen van verontreiniging, die voor het inwerkingtreden van de Waterwet zijn aangemerkt als ernstig en spoedeisend. Op het moment dat het evaluatierapport van de sanering door het bevoegd gezag wordt goedgekeurd eindigt dit overgangsrecht.
 
De situatie kan zich natuurlijk voor doen dat er sprake is van grensoverschrijdende gevallen. Ofwel dat er sprake is van een verontreiniging die vanuit het watersysteem in de landbodem terecht is gekomen of andersom. De aanpak van deze gevallen wordt gekoppeld aan de ligging van de bron van de verontreiniging. Indien de bron op de landbodem is gelegen zal de aanpak verlopen volgens de Wet bodembescherming. De aanpak volgens de Waterwet zal worden gevolgd indien de bron in het watersysteem is gelegen en de beheerder maatregelen treft omdat de verontreiniging een belemmering vormt voor het bereiken van de gebiedskwaliteit.
 
Bron: De Waterwet en waterbodems, uitgave Ministerie van Verkeer en Waterstaat, november 2008
 
Vragen over de Waterwet kunt u stellen aan mr. N.A.M. Priems, Legal Consultant.


Waterbodems in de Waterwet 
Raad van State doet einduitspraak in CO2-toewijzingsbesluit 

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft einduitspraak gedaan over beroepen van bedrijven tegen het nationale toewijzingsbesluit 2008-2012. Dit besluit kent de bedrijven die onder het CO2 emissiehandelssysteem vallen emissierechten toe voor een periode van vijf jaar.

Vanuit een aantal elektriciteitsbedrijven richtten de beroepen zich vooral op de windfallprofit-korting. Deze korting houdt in dat elektriciteitsbedrijven minder gratis emissierechten toegekend krijgen, omdat ze de waarde van de gratis rechten doorberekenen aan de afnemers van elektriciteit. In de einduitspraak oordeelt de Afdeling dat de beroepen ongegrond zijn en de windfallprofit-korting juist is toegepast.

Vermeldenswaardig is de gewijzigde toewijzing aan Corus. Dit betreft het enige beroep dat in de einduitspraak gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. De Afdeling oordeelt dat de overheid onvoldoende rekening heeft gehouden met het hoogovengas dat Corus aan Nuon heeft doorgeleverd. Overeenstemming over extra emissierechten die Corus daardoor krijgt toegewezen werd al tijdens de rechtszitting bereikt. Daardoor heeft de Afdeling zelf de toewijzingen kunnen vaststellen en treedt de uitspraak van de Afdeling gedeeltelijk in plaats van het toewijzingsbesluit. Dit levert tijdwinst op en zekerheid ten opzichte van het normale geval waarin de bijstelling door de overheid moet worden vastgesteld.

Bron: Nieuwsbrief Emissiehandel, nr. 73, 20 oktober 2009.

Voor nadere informatie over juridische aspecten van CO2  emissiehandel kunt u contact opnemen met B. Bregman LL.M.


ELegal electriciteitsbedrijven in beroep 
Grondwaterwetvergunning vereist voor een monobronsysteem Warmte Koude Opslag 

De Rechtbank heeft uitspraak gedaan over de vraag of het oppompen van water als onttrekking in de zin van de Grondwaterwet (Gww) moet worden aangemerkt als het water niet boven de grondwaterspiegel komt en de hoeveelheid grondwater dus per saldo niet wijzigd.

De Gemeente Raalte heeft een warmte-koude opslag (WKO)installatie voor het gemeentehuis gerealiseerd. Deze installatie is een zogenaamd “monobron systeem” waarbij grondwater wordt onttrokken op een diepte van 70 en 127 meter beneden maaiveld. B en W heeft geen Gww vergunning aangevraagd voor de installatie omdat zij van mening is dat er geen sprake is van onttrekking van grondwater. Het oppompen van grondwater is volgens de B en W niet noodzakelijkerwijs een onttrekking en in dit geval wordt het water niet boven de grondwaterspiegel gebracht, omdat de warmtewisselaar zich op 20 meter diepte bevindt. Voor het geval dat de Rechtbank wel van oordeel is dat er sprake is van een onttrekking, argumenteert B en W dat haar WKO-installatie een hoogwaardig doel dient, aangezien het een vorm van duurzaam energiegebruik is. De installatie zou daarom op basis van provinciaal beleid ten aanzien van het toestaan van onttrekkingen voor hoogwaardig gebruik kunnen worden gelegaliseerd.

De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de hoeveelheid grondwater per saldo niet wijzigt, niet aan de kwalificatie als onttrekking in de weg staat. Van onttrekking is sprake zodra het grondwater wordt verplaatst uit de eigen natuurlijk omgeving. Dit is hier het geval. De rechtbank overweegt daarnaast dat er geen sprake is van hoogwaardig gebruik, waardoor de situatie niet gelegaliseerd kan worden op basis van provinciaal beleid. De gemeente gebruikt het grondwater als koelwater. Dit is volgens de rechtbank geen hoogwaardig gebruik, omdat onttrekking uit een diep grondwaterpakket hiervoor niet noodzakelijk is.

Bron: Rechtbank Zwolle-Lelystad 13 maart 2009, M en R 2009/66, m.nt HvR

Voor nadere informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met B. Bregman LL.M.


ELegal november 2009 
 
 
 
 
 
 
 
 
   

 Contact


Legal Consultants
06 5049 5021

 Profiel

Legal Consultants van ARCADIS loodsen opdrachtgevers door complexe juridische processen en helpen hen bij het vormgeven van hun strategie. Vanaf het eerste moment van beleidsontwikkeling tot en met de realisatie van concrete projecten. Zij combineren juridische expertise met de ervaring van inhoudelijke specialisten uit het ARCADIS netwerk. Het resultaat: praktische en realistische oplossingen op het gebied van milieu en ruimte, wonen en werken, mobiliteit en water.

 Samenwerking SDU

ARCADIS is een samenwerking aangegaan met SDU Uitgevers, ter uitbreiding van de Nieuwsbrief Omgevingsrecht. De milieujuristen van ARCADIS leveren berichten aan die een goede vertaalslag maken van de wijzigingen in wet- en regelgeving naar de praktijk.
Heeft u belangstelling de in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht. Kijk dan op www.sdu.nl/catalogus/EMRO.

Op Maat Omgevingsrecht

Elegal