|
Strengere emissie-eisen voor stookinstallaties
De regels over de uitworp van stikstofdioxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), (fijn)stof en totale koolwaterstoffen door middelgrote stookinstallaties, zoals ketels, turbines en motoren worden vernieuwd en aangescherpt. Op 1 april 2010 treedt hoogstwaarschijnlijk het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer inwerking. Dit besluit is een vereenvoudiging en actualisatie van de voorschriften in het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B (ook wel bekend als het Bees B). Vele installaties in de land- en tuinbouwsector vallen straks onder dit besluit. De actualisatie is nodig omdat Nederland vanaf 2010 moet voldoen aan de NEC-richtlijn (national emission ceilings). Hierin staan nationale plafonds voor verzurende en luchtverontreinigende stoffen zoals NOx, SO2 en (vanaf 2020) fijnstof. Het besluit zorgt voor een aanscherping van de emissie-eisen zodat deze beter aansluiten bij de best beschikbare technieken. Daarnaast wordt de werking van het besluit uitgebreid met eisen aan emissies van onverbrande koolwaterstoffen bij gasmotoren en emissie-eisen aan stookinstallaties waarin biobrandstoffen worden verstookt.
Overgangsrecht De emissiegrenswaarden gelden direct voor nieuwe installaties, die na de inwerkingtreding van dit besluit worden geplaatst en in gebruik worden genomen. Voor reeds in gebruik zijnde installaties gelden ongeveer acht jaar na inwerkingtreding van dit besluit nog de emissie-eisen uit het Bees B of de in de milieuvergunning opgenomen emissie-eisen. De genoemde overgangstermijn sluit aan op de in Europese richtlijnen gehanteerde overgangstermijn voor bestaande installaties. In twee gevallen geldt een overgangstermijn van tien jaar: voor in offshore geplaatste stookinstallaties en voor gebruikers van restkooldioxide (CO2).
Bron: SC Online, 15 januari 2010
Voor meer informatie over de strengere emissie-eisen kunt u contact opnemen met mr. N.A.M. Priems, Legal Consultant.
|
|
|
|
Adviesrecht bestuursorganen
De Wabo en het adviesrecht
Volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) stelt het bevoegd gezag de waterbeheer in de gelegenheid advies uit te brengen bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning. De waterbeheerder wordt betrokken als beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) of het oppervlaktewater waarop de lozing uitkomt. Het betreft een beperkt adviesrecht. Dit recht beperkt zich namelijk tot de categorie volgens art. 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo: het oprichten, het veranderen of het inwerking hebben van een inrichting of een mijnbouwwerk. Daarnaast moet het gaan om lozingen op een rioolstelsel (vuilwaterriool of hemelwaterstelsel).
Hierin zijn de volgende twee situaties te onderscheiden:
- De waterbeheerder brengt een advies uit dat het bevoegd gezag betrekt bij de besluitvorming over de vergunningaanvraag. Het bevoegd gezag kan van dit advies afwijken.
- De waterbeheerder brengt een bindend advies uit waarnaar het bevoegd gezag moet handelen. Dit bindend advies mag alleen dan worden uitgebracht wanneer de doelmatige werking van de RWZI zou worden belemmerd of de kwaliteitsdoelstellingen van het oppervlaktewater zouden worden overschreden.
Een bindend advies dient door het bevoegd gezag overgenomen te worden, ook als men het er niet mee eens is. Naast advies van de waterbeheerder kan het bevoegd gezag, indien dit bijvoorbeeld de provincie is, ook advies van de betrokken gemeente inwinnen.
Adviesrecht in algemene regel Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) kent geen formeel adviesrecht van de waterbeheerder bij het opstellen van maatwerkvoorschriften voor indirecte lozingen. Ook het in voorbereiding zijnde Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit lozing afvalwater huishoudens kent geen formeel adviesrecht. Het is echter aan te bevelen dat het bevoegd gezag contact houdt met de waterbeheerder over de invulling van de voorschriften en de wijze waarop daar in de handhaving mee wordt om gegaan.
Bron: InfoMil Handboek Water
Voor vragen over het omgevingsrecht kunt u contact opnemen met mr. N.A.M. Priems, Legal Consultant.
|
|
|
|
Modernisering m.e.r. procedure gaat door
Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel modernisering m.e.r. aangenomen (nummer 31 755, publicatie Staatsblad 20, 26 januari 2010). Naar verwachting krijgt de modernisering van het m.e.r. instrument in juli 2010 zijn beslag. Tijdens de behandeling door de Eerste Kamer is een tweetal moties ingediend en aangehouden. In de moties wordt verzocht om:
- wettelijk te verankeren dat het bevoegd gezag verplicht is om naast de bevordering van vroege participatie, in het besluitvormingsproces verantwoording af te leggen aan belanghebbenden over wat er met de resultaten van de participatie is gebeurd;
- het begrip 'passende beoordeling' nader uit te werken en aan te geven op welke wijze deze zal worden verankerd binnen het kader van de m.e.r.-regelgeving.
De uitspraak van het Europese Hof van 16 oktober 2009 (C-255/08), behandeld in onze E-Legal Milieu van november 2009 met betrekking tot de drempelwaarden heeft hierop geen nadelige invloed. De aanpassing van het Besluit m.e.r. 1994 die al was voorzien, maar losgekoppeld was van de moderniseringsoperatie, loopt als gevolg van die uitspraak mogelijk wel enige vertraging op.
Bron: www.vrom.nl; www.commissiemer.nl
Meer informatie over wet- en regelgeving op het gebied van milieueffect-rapportage kunt opvragen bij mr. A. Pruijssers.
|
|
|
|
Eerste uitspraken bestuursrechter na uitspraak Europese Hof over onjuiste omzetting m.e.r.-richtlijn
In de E-Legal Milieu van November 2009 hebben wij u geïnformeerd over het arrest van het Europese Hof van 16 oktober 2009 (C-255/08). In dit arrest is Nederland veroordeeld voor een onjuiste omzetting van de m.e.r.-richtlijn. Intussen zijn er door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) twee uitspraken gedaan, waarin rekening wordt gehouden met de inhoud van dat arrest. Dit betreft Uitspraak ABRvS 16 december 2009, zaaknummer 200809273/1/M2, in verband met een veehouderij in Uden. En Uitspraak ABRvS 13 januari 2010, zaaknummer 200902344/1/H1 en 200902348/1/H1, in verband met het bouwrijp maken van een deel van bedrijventerrein Schiphol Logistics Park. In beide gevallen volgt de Afdeling het arrest van het Europese Hof.
Bij de beoordeling of er sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht dient niet alleen gekeken te worden naar de drempelwaarden in kolom 2 van bijlage D bij het Besluit m.e.r. 1994. Ook moet worden gekeken naar de factoren die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn. Het gaat dan om bijvoorbeeld ‘kwetsbaarheid van het milieu in het betrokken gebied’ en ‘duur en frequentie van het potentiële milieueffect’. In beide gevallen wordt door de Afdeling geconcludeerd, dat niet is gebleken dat er andere factoren zijn, die een MER rechtvaardigen. Ondanks het niet overschrijden van de drempelwaarde.
Hiermee lijkt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een toverformule te hebben gevonden om in de periode tussen de uitspraak van het Europese Hof en de aanpassing van het Besluit m.e.r. 1994 een voor de praktijk werkbare situatie te creëren. De vraag is of deze formule in andere concrete gevallen zijn toverkracht blijft behouden.
Er zijn in onze visie zeker situaties denkbaar waarbij het nuttig (en dus gewenst) is om een MER te maken, terwijl een drempelwaarde niet wordt overschreden. Denk hierbij aan activiteiten die weliswaar onder de drempelwaarde blijven, maar die dicht bij gevoelige natuur worden ontplooid.
Bron: Commissie voor de m.e.r., nieuwsbrief nr 1 27 januari 2010, www.raadvanstate.nl.
Meer informatie over wet- en regelgeving op het gebied van milieueffect-rapportage kunt opvragen bij mr. A. Pruijssers.
|
|
|
|
Wetsvoorstel luchtvaart in emissiehandel aangenomen
De Tweede Kamer heeft in december het wetsvoorstel aangenomen om de luchtvaartactiviteiten op te nemen in het Europese systeem voor CO2-emissiehandel. Vorige week heeft ook de Eerste Kamer haar goedkeuring gegeven aan dit wetsvoorstel ter implementatie van de Europese richtlijn 2008/101/EG. Hierdoor wordt de luchtvaartsector per 1 januari 2012 opgenomen in het systeem voor emissiehandel.
De richtlijn houdt in dat luchtvaartexploitanten hun CO2-emissies moeten afdekken met een voldoende aantal emissierechten. Dit geldt voor alle vluchten die vertrekken van of aankomen op een luchtvaartterrein in een EU-lidstaat. Onafhankelijk of het gaat om een Europese of een niet-Europese luchtvaartmaatschappij. De jaren 2010 en 2011 gelden als proefperiode waarin vliegtuigexploitanten hun emissies al moeten monitoren en rapporteren. Ze hoeven dan nog geen emissierechten in te leveren.
De lidstaten wijzen de emissierechten gedeeltelijk kosteloos toe aan de luchtvaartexploitanten. Hiervoor hanteren zij een benchmark om het precieze aantal gratis rechten per exploitant te berekenen. Een klein deel, 15% van het totaal aantal beschikbare emissierechten, wordt door de lidstaten verkocht op een veiling.
Bron: Kamerstukken II, 2008-2009, 31 963.
Voor meer informatie over wet- en regelgeving omtrent CO²-emissiehandel kunt u contact opnemen met B.A. Bregman LL.M.
|
|
|
|
|
|
|
|
Legal Consultants van ARCADIS loodsen opdrachtgevers door complexe juridische processen en helpen hen bij het vormgeven van hun strategie. Vanaf het eerste moment van beleidsontwikkeling tot en met de realisatie van concrete projecten. Zij combineren juridische expertise met de ervaring van inhoudelijke specialisten uit het ARCADIS netwerk. Het resultaat: praktische en realistische oplossingen op het gebied van milieu en ruimte, wonen en werken, mobiliteit en water. |
|
|
|
ARCADIS is een samenwerking aangegaan met SDU Uitgevers, ter uitbreiding van de Nieuwsbrief Omgevingsrecht. De milieujuristen van ARCADIS leveren berichten aan die een goede vertaalslag maken van de wijzigingen in wet- en regelgeving naar de praktijk. Heeft u belangstelling in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht. Kijk dan op www.sdu.nl/catalogus/EMRO
/Banner%20sdu%20%20small.gif)
|
|
|
|